En we zijn weer met honderdeneen dingen tergelijkertijd bezig… Moe zijn, zagen, zagen over moe zijn, vinden dat we moeten kuisen, zien dat de auto steeds meer op een camouflage-tankje begint te lijken, de dochter van de salontafel halen, zuchten, dochter weer van de salontafel halen, zuchten, beseffen dat het er niet zal op verbeteren vanaf april, beginnen piekeren over hoe het allemaal te organiseren, dochter uit de hoek halen en zien dat ze weer op de salontafel gaat liggen, zich afvragen of het gaat beteren als ze naar school gaat, zich afvragen of er zal moeten gekampeerd worden voor het schooltje, zich afvragen of de school erg veel veranderd is sinds mijn eigen kindertijd, dochter van de salontafel halen, zich afvragen wat ze nu spelen op de speelplaats, … ik zit waarschijnlijk al aan honderd… en dan: zich afvragen of alle spelletjes van toen eigenlijk nog gespeeld worden…
Ik weet nog goed hoe het was op de lagere school. We speelden tikkertje, of verstoppertje, of verstoppertje pot. Dat zullen ze nu ook nog wel doen denk ik. Er werd ook erg veel gezongen op de speelplaats, als we zakdoekje leggen speelden, of al die andere spelletjes waarvan ik niet weet onder welke noemer je die moet plaatsen. Schipper mag ik overvaren, één-twee-drie…piano! (dat was wel een heel kort liedje). We speelden van ‘marjosse’ een spel dat mijn ouders vroeger ook speelden, maar bij hen noemde het ‘marjotte’ maar het liedje was bijna net hetzelfde (en het begon zoals de titel van dit stuk). Dan was er nog een over een clown, en een over een man die op reis ging en iemand mee nam. Als ik het aan mijn zusje vraag, dan zeggen die spelletjes haar niks.
Verder verdeden we onze speeltijd met ‘de rekker’: een gigantisch groot uitgevallen broekelastiek waar we in, op en over sprongen, helaas wou mijn mama geen rekker afstaan. Er was zo’n koord met een lus voor rond je enkel en aan het andere eind een bal, we hadden een jojo (en sommigen hadden er één die licht gaf!), springballen (en wij hadden thuis ontdekt dat als je er een stuk uit beet, je nooit kon voorspellen naar welke kant hij ging springen als je hem weggooide) (dat stuk mocht niet opgegeten worden natuurlijk). En dan de diabolo (mijn favoriet).
En jongleren tegen de muur. Het was een reeks van tien oefeningen die elk een naam hadden, en je foutloos moest herhalen tot tien. En ‘tussen vier vuren’, en netbal. En hinkelen.
En nu vraag ik mij dus af: voor de teergeliefde is de helft van wat ik hier opsom chinees (en ik mag het van hem niet steken op het feit dat hij diep vanuit de vlaamsche ardennen afkomstig is), is het voor jullie ook chinees? Werden die spelletjes alleen bij ons gespeeld? Hebben wij die dan uitgevonden? En zijn ze nu verloren gegaan? Al die uren plezier?
Waar een mens op wapenstilstand allemaal zit op te peinzen…








De aandachtige lezer sprak: