Afhaken: ik haak af-ik haakte af-ik heb afgehaakt
Wanneer? hoor ik u vragen. Wel, toen ze de nieuwe spelling hebben ingevoerd. Gedaan met de goede punten voor dictee. Gedaan met op tv meedoen aan het groot dictee der Nederlandse taal. Verwarring alom. Ik weet het nog goed. Ik was een jaar of 14 toen ze ermee afkwamen en ik zei tegen mezelf: “da’s niet meer voor mij! Hier ben ik te oud voor geworden”. En toen heb ik voor mezelf de ‘oh-dat-schrijft-aangenaamspelling’ uitgevonden. Dus schreef ik de woorden voortaan zoals ik ze het liefst wou schrijven.
Spijten: het spijt mij-het speet mij-het heeft mij gespeten
Ja, toch een beetje. Want ik ben nu langs geen kanten meer mee. De spelling blijft beetje bij beetje veranderen. Ik ga mijn dochter nooit kunnen helpen met het huiswerk want het gaat de sloor punten kosten. Misschien moet ik er toch eens werk van maken.
Houden van: ik hou van-ik hield van-ik heb gehouden van
Ik kan het niet laten, de spellingsfouten uit een ander zijn tekst halen. De stagiair die bij mij met een verslagje afkomt, passeert eerst de spellingscontrole (MIJN spellingscontrole). Want ik hou van correctheid. Van juistheid. Van spelen met taal. Ik verafgood alle taalvirtuozen. Ik vind poëzie iets ongelofelijks, ook al snars ik er doorgaans geen snap van.
Rijmen: ik rijm-ik rijmde-ik heb gerijmd
We deden vroeger niks anders aan tafel. Zo lang mogelijk blijven rijmen op hetzelfde woord. En we probeerden limericks te schrijven. En ons verwonderen over de gecompliceerde eenvoud van een haiku. En met mijn babysitkindjes maakte ik eindeloze variaties op elk-elk-elk-de koe drinkt…
Op zich schamen: ik schaam op mij-ik schaamde op mij- ik heb op mij geschaamd
Mensen zoeken voor mij de regel van het kofschip op. Zo ver is het met mij gekomen. Ik maak hier post na post de grofste dt-fouten, de wansmakelijkste vervoegingsfouten en de meest onvoltooide voltooid deelwoorden. Maar ik wil eraan werken. Blijf mij gerust verbeteren, want telkens een dt-fout ontdekt wordt zak ik bijna door de grond van schaamte. Echt waar.
een koppige ezel zijn: ik ben een koppige ezel-ik was een koppige ezel-ik zal helaas altijd een koppige ezel blijven
Ja, want ik weiger het woord pannenkoek te schrijven (dit was hier enkel een noodzakelijke uitzondering). Met hun onnozele regeltjes… Bij mijn weten kan je een pannekoek maar in één pan bakken, gelijk hoeveel pannekoekepannen je ook liggen hebt. Ik heb het geprobeerd: bakken in één pan, opgooien, en opvangen in een andere… maar ik zweer het… onmogelijk om die pannekoek deftig in die andere pan te krijgen. Ik heb zelfs al pannekoeken gebakken zonder pan. Platekoeken eigenlijk. Of is het platenkoeken?
En paddenstoelen? Belachelijk! De dag dat dochterlief van school komt met de opdracht paddenstoelen te zoeken in het bos, dan zal ik haar eens vertellen hoe het zit. Dat padden in een modderige put wonen, dat daar geen plaats is voor stoelen, tenzij een stoel die tegen een stootje kan. En dat ik uit ervaring kan zeggen dat als een pad op een paddestoel gaat zitten, het steeltje binnen de second afkraakt. En dan ga ik samen met mijn dochter zelf stoeltjes ineen knutselen. Want creativiteit moet gestimuleerd worden.
Nog niet overtuigd? Dan beroep ik mij op de versteende uitdrukking. Een pannekoek kan gebakken worden op een keramische kookplaat. Keramiek is steen. Dus pannekoek. En een pad heeft steenpuisten. Dus paddestoel.
De aandachtige lezer sprak: